Pikinslee 10-13 feb 2012
 

Pikinslee 10-13 feb

De 4x4 van Marcel bracht ons weer naar de hoofdweg in het dorpje Brownsweg. Brownsweg is één van de transmigratiedorpen die door de regering werden gebouwd toen duizenden mensen gedwongen werden om hun huis te verlaten bij de bouw van de stuwdam. Het was je huis verlaten of verdrinken, niet echt een sociaal beleid. Maar de stuwdam moest er komen, er moest stroom opgewekt worden voor de winning van Bauxiet...

We hielden een bus aan die naar het zuiden ging met daarin een man liggend op de bagage en maar liefst vier bankstellen in en op het kleine busje.



In Atjoni aangekomen (aan het begin van de Boven Suriname Rivier) vonden we een kapitein die ons tegen de stroming in naar onze bestemming wilde brengen.
Al wachtend op het vertrek (ook de boot moet vol) spraken we met ene Ronnie, een Nederlandse Surinamer die na ruim 12 jaar weer naar zijn geboortegrond ging, en dat zou ons later nog goed van pas komen...
Alle dorpjes aan de Boven Suriname Rivier liggen volledig geïsoleerd, op watertransport na. Vroeger konden mensen alleen maar roeien, nu gaat dat met grote buitenboordmotoren die zelfs tegen kleine watervalletjes op kunnen varen.

 






We besloten om naar Pikinslee te gaan, een dorpje aan de rivier met het kleine Saramaka museum, de Nederlandse ‘beschermvrouwe’ Corinne, kunstenares Christel (uit oud orthen in Den Bosch) en ons eigen hangmatje aan de rivier.
Maar ook met onze eigen huisspin (Anansie de tarantula), een aantal Nederlandse toeristen, zoals Wim en Rite, huismeester Kens en de vele leuke kinderen (zoals de stille Akon) uit het dorp. En die kinderen wilden alleen maar ons handje vasthouden, Charlotte’s haar doen en gezellig in ons hutje rondhangen (ons hutje was een schuin dak op palen, dus iedereen liep gewoon binnen).
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
En wat doe je dan in zo’n dorpje aan de rivier? Vooral veel relaxen en genieten van het leven in de jungle. We hebben ook een lange wandeling door Jungle gemaakt, aangezien Pikinslee met 5 dorpen verbonden is met een zandpad, zodat de dokter de dorpjes kan bezoeken.
 
 
 
 
 
 
 
 
En hier kwam ook onze kennismaking met Ronnie van pas. we liepen door Futanakaba en Botopasi, en kwamen vervolgens in Kabalua, een dorpje wat eigenlijk geen toeristen wil ontvangen. Maar wij kenden iemand, dus we hoopten dat we niet weggejaagd zouden worden, maar als gast zouden worden verwelkomd. En dat bleek ook zo te zijn (pfjoe! Was wel effe spannend).

De mensen uit het dorp zochten Ronnie en we mochten meteen op audiëntie bij de kapitein van het dorp (soort burgemeester?), die achter zijn naaimachine ging zitten in het dorpshuis (ook weer een schuin dak op palen).



 
 
 
 
 
 
 

Wow, wat een gave ervaring, vooral toen de kapitein foto’s liet zien van zijn bezoek aan Nederland. Hij bleek zelfs Job Cohen te hebben ontmoet!
 
- Van de 3 broeken die ik bijhad had ik er al 2 verscheurd... Dikke reet gekregen?
- En hier zijn de mensen nog relaxter en vriendelijker dan in de stad. Erg typisch ook dat er uiteindelijk wederom (net als op Brownsberg) te weinig op de rekening stond. Dus we hebben maar een dikke fooi gegeven.






- Ik heb ook nog een middag Christel meegeholpen aan een van haar kunstwerken, die moest af zijn voordat ze weer naar Nederland ging.
- Charlotte gaat hier misschien haar eigen kostgrondje beginnen, alles groeit hier zó goed...
- De naam van de bewoners aan de rivier is in de volksmond ‘Boslandnegers’. De oude naam Marron is uit het Spaans afkomstig en is afgeleid van Cimaron, wat ‘Weggelopen vee’ betekend. En dat is nu een soort van geuzennaam geworden voor deze nakomelingen van ontsnapte slaven.



- Waky no? Waky Oh! Waky Tanga!